Vrouwen en oorlog … Oorlogsvrouwen … in de bibliotheek van het CegeSoma

Moet het nog gezegd ? Lange tijd speelden de vrouwen maar een tweederangsrol in de boeken over de Tweede Wereldoorlog, net zoals bij alle andere gewapende conflicten die de mensheid geteisterd hebben. “Oorlog” leek van oudsher een mannenzaak, zowel op het vlak van de beslissers als wat het kanonnenvlees betreft en Jeanne d’Arc lijkt wel de uitzondering op de regel …

Deze historiografische visie, die ontegensprekelijk overeenstemde met de werkelijkheid op het terrein … en die mezzo voce de geringe betrokkenheid van de vrouwen bij het militaire apparaat en bij de gevechten weerspiegelde (net als hun minorisering op sociaal vlak), moet toch wel bijgesteld worden.
Sinds de “Groote Oorlog” hebben historici zich al geïnteresseerd voor hun rol in de spionagenetwerken (men sprak nog niet over “verzetsbewegingen”). Daar fungeerden ze als briljante secondanten voor hun strijdmakkers, die de intendantie verzorgden, of min of meer als hoofdfiguren – in positieve zin (Gabrielle Petit, Edith Cavell, Louise de Bettignies…) of in negatieve zin (Mata-Hari, Fraulein Doktor,…).
Tijdens het interbellum gingen de specialisten in de economische geschiedenis zich ook buigen over het aandeel van de vrouwen in de industriële mobilisatie van de oorlogvoerende partijen in ’14-’18.

De enthousiastelingen van « militaria », al of niet in uniform, hadden een grotere inzet van vrouwen in toekomstige conflicten voor ogen, ofwel als geüniformeerde hulpkrachten in de achterlinie ofwel als strijdsters aan het front. Dit idee was theoretisch meer ontwikkeld in de protestantse landen, in de eerste plaats Groot-Brittannië, dan in de “Latijnse” landen, terwijl het jonge “Rode Leger” het in de jaren ’30 al in de praktijk had gebracht door een aantal vrouwen – met veel aandacht van de propaganda – in te lijven in toekomstige gevechtseenheden.

De Tweede Wereldoorlog dwingt de vrouwen tot een nog grotere inzet in de civiele maatschappij en in de verzetsbewegingen, maar ze blijven in het algemeen afwezig op het slagveld, behalve in de Sovjet-Unie (500.000 vrouwelijke soldaten !) en in mindere mate in Finland. En zoals we al zeiden, blijven ze ook lang afwezig in de oorlogsgeschiedschrijving …

Dat verandert vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw door het toenemend succes van de « Gender Studies » in de Angelsaksische wereld. De historici daar interesseren zich meer en meer voor de vergetenen, voor de minderheden in de geschiedenis. En bij de overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw besteden ook de Franstalige en Nederlandstalige historici meer aandacht aan dit “nieuwe” onderzoeksveld, met het “post-modernisme” dat steeds meer veld wint. De bibliotheek van het CegeSoma heeft deze verschuivingen in de historiografie opgepikt en heeft heel wat kunnen “oogsten” op dit vlak.

Hoewel er meer en meer studies verschenen over vrouwen in oorlogstijd, hebben de “klassieke” thema’s die al in het interbellum aan bod kwamen (vrouwen en het verzet, vrouwen in het sociaal-economisch leven, vrouwen in de collaboratie) zich merkwaardig genoeg gehandhaafd en nog uitgebreid. Het onderzoek heeft zich vooral toegespitst op de “uniformdraagsters” bij de Sovjets en bij de Nazi’s. In feite is de echt vernieuwende problematiek die in de vorige periodes nagenoeg onbekend was, die van de seksualiteit. Dit aspect wordt nu vanuit alle invalshoeken bekeken, van de verkrachtingen tot de prostitutie over de amoureuze relaties met de bezetter … van het moment. Eigenaardig genoeg werd dit historiografisch genre op literair of eerder paraliterair vlak vooraf gegaan door een hele productie van erotische of zelfs pornografische aard, die erg verspreid was in de jaren ’60 en vooral ’70 van de voorbije eeuw (de fameuze “stationsliteratuur” met als één van de beroemdste exponenten een zekere, schaars geklede Elsa, wolvin van de SS …). Die zou het verdienen opnieuw kritisch bekeken te worden als weerspiegeling van een zekere catharsis voor een deel van de naoorlogse generatie.

Maar naast die conceptuele elementen geïnspireerd door de “tijdsgeest” of de historiografische mode van het ogenblik blijft er nog een ganse waaier van sociaal-economische geschiedenis. De vrouwen bekleden er nu hun terechte plaats in alle nuances van het sociale leven, of het nu gaat over de zoektocht om het overleven van het gezin te verzekeren, over de opvoeding van de kinderen, het vervangen van de mannen in industrie, handel, landbouw, als de mannen door de oorlogsomstandigheden afwezig zijn … Zonder natuurlijk hun al gevestigde, vertrouwde aanwezigheid te vergeten in de geneeskundige-verzorgende structuren en in het liefdadigheids- en solidariteitswerk.

Zo zie je maar dat « onze wederhelften” als ze op de proef gesteld worden perfect “onze alter ego’s” kunnen zijn !

Een aandachtig onderzoek van dit deel van de bibliotheek van het CegeSoma gewijd aan de vrouw en de oorlog zal die polyvalentie zeker bevestigen ! Maar dan moet je wel de moeite doen om dit van naderbij te bekijken …