Home » News » DRIE VRAGEN AAN … Élise Rezsöhazy,

DRIE VRAGEN AAN … Élise Rezsöhazy,

wetenschappelijk medewerker aan het onderzoeksproject Postwarex (BRAIN)

Élise, je bent in 2020 aan de UCL gepromoveerd tot doctor in de geschiedenis met een thesis over de geheime Duitse politiediensten in Frankrijk en België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wat later ben je dan bij ons gekomen om mee te werken aan het onderzoeksproject Postwarex.

Wat trekt je aan in dit project dat gebaseerd is op de bronnen van de militaire rechtspraak, om de doodstraf en de executies na de Tweede Wereldoorlog te bestuderen?

Wat me onmiddellijk heeft aangetrokken in dit project is het uitzonderlijk karakter van die periode, van de executies en de manier om ze uit te voeren, het taboe en de enigszins dramatische aspecten die errond hangen. En ik houd ook van de institutionele invalshoek: door alle documenten te ordenen begrijp je de werking, de veranderingen, de praktijk en de logica van een instelling. Wat ik ten slotte ook erg waardeer in dit project is dat er een boek voor het grote publiek uit zal voortkomen, dat zich zal toespitsen op het werk van het auditoraat-generaal dat de repressie van de collaboratie heeft aangepakt. Daardoor zal men begrijpen waarom sommige terdoodveroordeelden werden terechtgesteld en anderen niet. Hoe het beslissingsproces tot verlening van de genade  verliep. Welke problemen zich stelden bij de praktijk van de terechtstellingen, wat de plaats, de actoren enz. betreft.

Hoe dacht je over je beroep als historica toen je aan je studies begon en strookt de werkelijkheid met je droom?

Toen ik aan mijn geschiedenisstudie begon had ik niet echt veel verwachtingen. Ik koos voor geschiedenis omdat die studierichting me aantrok, de methodologie en de geschiedkundige wetenschap boeiden mij. Eigenlijk wist ik niet goed wat dat wou zeggen: historica worden. Toen ik in  het middelbaar studeerde voor mijn examens vond ik dat geschiedenis iets logisch was. En dan moest je nog kunnen samenvatten, opstellen, vergelijken; dat vereist een discipline die ik wel graag had. Al vlug tijdens mijn studie zei ik bij mezelf dat ik onderzoek wou doen. Ik maakte mijn oefeningen en mijn masterscriptie met plezier, daarna begon ik aan mijn doctoraatsthesis en ik vond het geweldig om mijn eigen beroep van historica vorm te kunnen geven. Ik heb colloquia georganiseerd en netwerken opgezet. Ik heb getracht om mijn onderzoek leven in te blazen zodat het niet alleen “ik en mijn computer” zou zijn.

Na mijn doctoraat wist ik het even niet meer: de mogelijkheden waren niet evident … Ik kon niet zeggen: ik word prof aan de universiteit … Je moet zoveel stappen doorlopen voor je een vaste aanstelling krijgt dat ik bij mezelf zei: waarom niet iets anders proberen … en dan was er het werkaanbod van het CegeSoma, de kans om onderzoek te verrichten in een ander kader, namelijk ‘een project’. Het grote onderscheid tussen mijn thesis en dit project is dat ik hier niet alleen over het resultaat beslis. We werken met vier aan dit project en we moeten het binnen de twee jaar afronden. We moeten dus keuzes maken. Maar toch heb ik nog veel vrijheid over hoe ik werk en redigeer, hoe ik met resultaten naar buiten kom. 

En het is duidelijk: toen ik in een onderzoekscentrum terechtkwam, verheugde ik mij op de dynamiek tussen en de uitwisselingen met de andere onderzoekers … Uiteindelijk was dat wat minder het geval door de gezondheidscrisis. Maar nu begint alles opnieuw de goede kant op te gaan.

Wat zou je jongeren aanraden die dit beroep willen kiezen?

Die vraag is moeilijk te beantwoorden, want dat is erg persoonlijk. Je moet zelfvertrouwen hebben en jezelf niet voortdurend in vraag stellen, met het risico je verbeelding aan banden te leggen bij de zoektocht naar bronnen, bij het trekken van conclusies enz. Maar tezelfdertijd vind ik dat een goede onderzoeker nederig moet blijven en zijn zekerheden in vraag moet kunnen stellen. Want alles wat je schrijft zal hoe dan ook op een of andere dag in vraag worden gesteld: de geschiedschrijving is voortdurend in beweging en je kan altijd iets verkeerd interpreteren.

Wat ik de jongeren die deze weg willen opgaan aanraad: wees gepassioneerd. Om onderzoek te verrichten moet je vooral weetgierig zijn. Je moet niet alleen gepassioneerd zijn door geschiedenis, maar je moet vooral een drang hebben om de wereld te begrijpen. Om een goed onderzoeker te zijn moet je ook een goede methodologie hebben, goed georganiseerd zijn. Je moet ook pragmatisch zijn, je niet laten meeslepen door je weetgierigheid, door de verleiding om altijd meer te doen. En dus moet je leren omgaan met de frustratie die daaruit voortvloeit. Je moet tegen jezelf kunnen zeggen dat het niet is omdat je op een bepaald ogenblik stopt, dat je daarna nooit verder zult kunnen gaan. Je moet kunnen zeggen: “Hier ben ik op een punt beland waarop wat ik vertel coherent is en waarachtig. Wat ik zeg kan volledig gestaafd worden en als ik hypotheses heb, formuleer ik die ook als zodanig en niet als vaststaande feiten.”

PS: Een vondst in de archieven die je echt heeft verrast?

Mijn archieven zijn niet echt sexy: het zijn omzendbrieven, briefwisseling tussen ministeries en het auditoraat-generaal, erg institutionele archieven. Maar in de archieven van het auditoraat-generaal zelf vind je wel een hele reeks grappige archieven over de erg concrete werking van de afdelingen: conflicten tussen personeelsleden, aanbevelingen aan jonge meisjes (secretaresses of typistes) die men wat te nauwe contacten met de bedienden verwijt! Door die bronnen krijgen we een beeld van de dagdagelijkse werking en van de moeilijkheden om zo’n administratie te laten functioneren. Dat weerspiegelt in zekere zin ook de mentaliteit van toen.