Home » News » DRIE EN MEER VRAGEN AAN ... Alain Colignon,

DRIE EN MEER VRAGEN AAN ... Alain Colignon,

bibliothecaris van het CegeSoma

Alain Colignon is al meer dan vijfendertig jaar bibliothecaris van het CegeSoma. Door zijn passie voor geschiedenis heeft hij alles over alles gelezen, of toch bijna. Het is trouwens dikwijls efficiënter om hem te raadplegen in plaats van Wikipedia. U zult dan ook wel begrijpen dat we bij hem onmogelijk het principe van onze 'drie vragen aan'-rubriek konden respecteren … alvast bedankt voor uw begrip!

Hoe is je carrière verlopen? Waarom koos je voor een studie geschiedenis?

Ik ben in 1981 als historicus afgestudeerd aan de universiteit van Luik. Mijn thesis ging over de wereld van de oud-strijders in de provincie Luik. Waarom ik voor geschiedenis koos ? Heel eenvoudig, omdat ik graag luisterde naar de verhalen van oudere mensen, vooral van mijn grootmoeder. Zij was afkomstig uit een klein dorp in de streek van Hannuit en vertelde over haar jeugd voor 1914. Geschiedenis is voor mij altijd een toevluchtsoord geweest, want ik voelde me niet zo gelukkig in de maatschappij in de jaren '70 en '80, ook nu niet trouwens met de almaar groeiende technocratie, de afnemende aandacht voor het menselijke en de toenemende druk op het werk. Eerst was het mijn bedoeling geschiedenisleraar in het middelbaar onderwijs te worden. Maar in die tijd viel het niet mee om werk te vinden in het onderwijs. Ik heb dus eerst gewerkt in het provinciaal psychiatrisch instituut van Lierneux, dat zijn 100-jarig jubileum vierde. Ik was aangetrokken om de geschiedenis van het instituut te schrijven, een tentoonstelling op te zetten en een studie te maken over de sociale geneeskunde in de provincie Luik. Mijn aggregatie heeft maar 15 dagen gediend, toen ik leraar moraal in Visé was. En dan kwam ik op 1 februari 1989 in dienst van het Centrum onder directeur Jean Vanwelkenhuysen.

Wat waren je bezigheden in het CegeSoma?

In het begin deed ik een beetje van alles: occasionele brieven beantwoorden, Belgische brochures selecteren en klasseren, … Pas in 1991 werd ik bibliothecaris in samenwerking met Kathleen Vandenberghe en Hilde Keppens.

In die functie kies ik de boeken die ik interessant vind, ik werk mee aan seminaries, studiedagen, colloquia. Ik heb in vrij belangrijke mate meegewerkt aan de reeks 'Jours de guerre' van de RTBF Charleroi, waarvoor ik veel bijdragen heb geschreven. Ik was ook betrokken bij specifieke producties van het Centrum, meer bepaald naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de bevrijding. Dirk Martin en ik hebben toen een analyse gemaakt van de semiotische inhoud van die herdenkingen. Ik heb meegewerkt aan enkele losstaande werken, zoals 'Hitler, Haider: même combat?' met Emmanuel Debruyne, en later 'Le rexisme, un pré-poujadisme', …

Ik heb ook deelgenomen aan conferenties voor genootschappen voor lokale geschiedenis en andere verenigingen. Verder heb ik met Fabrice Maerten en Mélanie Bost meegewerkt aan de reeks 'Villes en guerre' van de 'Editions La Renaissance du Livre'. In de maand maart zou er bij 'Aparté' trouwens een nieuw boek in samenwerking met   Mélanie Bost moeten verschijnen. Sinds 6 of 7 jaar verzorg ik ook de antwoorden aan 'vaste' of occasionele correspondenten met vragen over de twee wereldoorlogen. Ik fungeer een beetje als tussenpersoon tussen de onderzoekers en belangstellenden, vooral sinds de integratie van het Centrum in het Algemeen Rijksarchief. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd in de belevenissen van hun familieleden.

Hoe ga je te werk bij het uitbouwen van de bibliotheek van het CegeSoma ?

In het begin wou de bibliotheek zich niet in het vaarwater van het Legermuseum begeven en had dus (zeer) weinig belangstelling voor 'militaria', voor de militaire geschiedenis stricto sensu. Het eigene aan ons Centrum was de studie van de impact van het fenomeen 'oorlog' op de burgermaatschappij in België en onze buurlanden. Vanaf 1997 heeft ons chronologisch bereik zich uitgebreid. We beperkten ons niet langer tot de periode 1930-1950. We keerden terug naar het concept van 'de dertigjarige oorlog'. Ik heb dus, altijd vanuit de insteek 'impact van de oorlog op de burgermaatschappij', alles verzameld over de culturele, politieke, sociaaleconomische geschiedenis, de mentaliteitsgeschiedenis, de geschiedenis van de collectieve voorstellingen, maar nu voor de periode 1914-1950. In 2005 werd beslist om heel de korte 20ste eeuw te omvatten, van 1914, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, tot 1991, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het Oostblok. Dan zijn we ons beginnen interesseren voor de weerslag van de politieke radicaliteit, van de oorlog op de cultuur, de kunst, het collectieve bewustzijn, maar ook voor de slachtingen, etnische zuiveringen, de moord op de Joden, genocides enz. …

Ik heb heel wat bibliografieën en catalogi van uitgeverijen doorploegd om werken op te sporen die ons zouden kunnen interesseren. Tussen 1993 en 2015 beschikten we over een aanzienlijk budget voor aanwinsten. Daarna werden de budgetten verminderd, zoals in alle federale wetenschappelijke instellingen.

Ik vul de collecties ook aan dank zij de collega's-specialisten die me titels suggereren. Ik 'recupereer' ook werken uit het antiquariaat, waar ik persoonlijk graag in rondneus, dat is mijn pekelzonde … of ik bezoek grote boekhandels.  Ik pluis dus deels de gespecialiseerde bibliografieën uit en en ga deels af op mijn 'buikgevoel', dat me natuurlijk kan misleiden. Als ik twijfel, probeer ik via de computer een of meer kritische recensies over het bewuste werk te vinden. Ik selecteer erg strikt gelet op het kleinere budget. De bibliotheek telt nu meer dan 80.000 werken (de brochures niet meegerekend). Daarvan zijn 70% aankopen, 30 % legaten of schenkingen. Jammer genoeg krijgen we dikwijls boeken die we al hebben. In ons bibliotheek tellen we nu 35% werken in het Frans, minstens 30 % werken in het Engels, 20% werken in het Nederlands (Vlaanderen en Nederland). De rest zijn werken in het Duits, Spaans en Italiaans. De werken in het Engels en Duits zijn spijtig genoeg veel duurder en bijgevolg selecteer ik die nog strenger omwille van het beperkte budget.

Welke lacunes zitten er in de bibliotheek van het CegeSoma ?

Er zijn nog lacunes op het vlak van bepaalde wetenschappelijke en universitaire werken uit de periode voor het Centrum bestond. De bibliotheek van het Centrum is samen met het Centrum zelf ontstaan in 1969. Bij het begin kreeg de bibliotheek een fonds boeken uit het Algemeen Rijksarchief. Het ging om een relict van het Belgisch Museum van de Wereldoorlog (het embryo van een onderzoekscentrum voor de twee wereldoorlogen), in 1944-1945 opgezet door een professor van de ULB, Suzanne Tassier. Zij was begonnen boeken te verzamelen, maar het project werd afgebroken. We hebben dan een tweede fonds boeken ontvangen, ook van het Algemeen Rijksarchief. Dat bestond uit werken van collaborerende uitgeverijen die na de oorlog in beslag waren genomen door verzetsbewegingen of door de juridische overheden van de Belgische staat en die na onderzoek voor de processen aan het  Algemeen Rijksarchief waren toevertrouwd. Toen ik bibliothecaris van het CegeSoma werd, waren er ongeveer 13.000 titels.

Een tiental jaren geleden schatte men nog dat er in alle grote internationale talen plus het Nederlands en het Italiaans zo'n 300.000 werken over de Tweede Wereldoorlog verschenen waren. Sinds een paar jaar neemt de productie van boeken over  de Tweede Wereldoorlog progressief af.

Wat zijn in de loop van al die jaren de grote historiografische veranderingen inzake de onderwerpen waar het CegeSoma zich mee bezighoudt?

Toen ik de bibliotheek overnam ging het nog om een sterk sociaaleconomisch gerichte geschiedschrijving, met veel aandacht voor de politiek en ook al een uitgesproken interesse voor de collectieve voorstellingen: het beeld van de geschiedenis, onder invloed van de Franse historicus Nora en zijn studies over de herinneringsplaatsen. Dat heeft zich nog geaccentueerd met het post-modernisme dat rond 1995 echt opkwam in het Centrum en er een sterke ontwikkeling kende tot 2000-2010. Daarna werd het een soort post-post-modernisme, dat evolueerde naar een sterker relativisme met een oplevende belangstelling voor tot dan vergeten en slecht bestudeerde minderheidsgroepen. Bij voorbeeld: de geschiedenis van de vrouw, gendergeschiedenis, de geschiedenis van de immigrantengemeenschappen of door de dan dominerende politieke strekkingen vervolgde etnische minderheden, die van de homoseksuelen, van de onderdrukte en/of in hun gastland minoritaire koloniale bevolkingsgroepen, ...  De koloniale studies hebben sinds de jaren 2010-20115 een grote bloei gekend en nu zijn we toe aan dekoloniale studies. Maar dat blijft nog een relatief klein aandeel van de verzamelde werken en in de recente bibliografische productie.

Welke evolutie zie je in de vragen die je gesteld worden ?

Tot 2000 waren er nog mensen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt en die informatie zochten over deze of gene gebeurtenis waarbij hun familie of zijzelf betrokken waren geweest. Veel journalisten en studenten kwamen ons opzoeken. Toen  concentreerden de universiteiten zich nog op de studie van de periode voor of na de Tweede Wereldoorlog of de Tweede Wereldoorlog zelf voor hun seminaries, thesissen en doctoraten. Het ging ook om een aantrekkelijk onderwerp voor de televisie. Daarna begonnen de actoren en getuigen van de Tweede Wereldoorlog te verdwijnen. Dan kwamen hun kinderen. De journalisten en studenten bleven ook komen, maar hun belangstelling hing vaak samen met de grote herdenkingen: de landing, de bevrijding, de slag om de Ardennen. Sinds 2015 komen er minder kinderen van getuigen of actoren van de Tweede Wereldoorlog en is er voor die oorlog minder interesse vanwege journalisten en universiteiten. Ze hebben nu meer belangstelling voor de Koude Oorlog, maar ook voor de jaren '50 en zelfs de jaren '60. Sinds zo'n tiental jaren zijn er nieuwe 'cliënten', jonge gepensioneerden die meer willen weten over het verleden van hun voorouders. Dan zijn er ook soms 'verdwaalde' vragen van mensen die niet goed weten wat het Centrum precies is. Ik kreeg al meer dan eens de vraag wat neef Jules of de glorierijke voorvader Jules gedaan heeft in de Napoleontische tijd … of zelfs tijdens de oorlogen van Lodewijk XIV … En mensen die duidelijk de kluts kwijt zijn, hebben me al gevraagd of er een derde wereldoorlog komt … Dat zijn zonderlingen en dit is niet representatief voor de meerderheid van de vragen.

Wat zijn volgens jou de drie belangrijkste werken om de Tweede Wereldoorlog in België te bestuderen ?

Drie lijkt me wat weinig … Het eerste is zonder twijfel ‘L’an 40. La Belgique occupée’ van José Gotovitch en Jules-Gérard Libois, met als onmisbare aanvulling 'België bezet. Een synthese' van Etienne Verhoeyen. Voor de koningskwestie en de houding van Leopold III en de hofkringen, zou het zonder enige twijfel ‘Leopold III: de Koning, het land, de oorlog’ zijn van Jan Velaers et Herman Van Goethem, dat jammer genoeg niet in het Frans vertaald is. Voor de collaboratie, het werk van Martin Conway over Léon Degrelle, dat in het Frans en het Nederlands vertaald werd en ‘Greep naar de macht’ van  Bruno De Wever over het VNV. Er zijn er natuurlijk nog andere … De meeste goede boeken in het Nederlands zijn spijtig genoeg niet in het Frans vertaald. Voor het verzet is het wat problematisch … We hebben erg goede verzetshistorici, maar die bestuderen telkens maar een deel van het verzet. Voor een echte synthese over gans het verzet, moeten we, denk ik, teruggrijpen naar het werkje van Henri Bernard ‘La résistance belge’ van eind de jaren '60, maar dat nog deels stand houdt. Voor de inlichtings- en actiediensten beveel ik het boek van Fernand Strubbe aan: 'Geheime Oorlog, 40/45'. Voor het communistische verzet hebben we  José Gotovitch; we hebben Emmanuel Debruyne met ‘La Guerre secrète des espions belges’ en Jacques Wynants die over een aantal groepjes heeft geschreven. In het recente 'Was opa een held ?' van Fabrice Maerten vinden we de basis voor een synthese, vol interessante inlichtingen en suggesties voor verdere oriëntatie. Maar tot nu toe ontbreekt er nog een hedendaagse synthese.

Wat zijn je mooiste antiquarische vondsten voor onze instelling ?

Ik heb in het antiquariaat een vrij merkwaardig boek ontdekt van Henri de Montherlant over de uittocht in 1940, geïllustreerd door Masereel, dat enkele jaren na de exodus werd gepubliceerd. Ik heb dat maar één keer gezien in de tientallen en tientallen antiquariaten die ik heb bezocht. Het moet 'vrij zeldzaam' zijn. Er is ook het werk van Fernand Baudhuin uit 1945 over de Belgische economie tijdens de bezetting 1940-1944. Het is een erg oud werk dat nochtans nog altijd actueel is. Ik zou zeggen 'een pareltje', zelfs al vind je het nog vrij regelmatig terug. Ik denk dat dat de twee mooiste 'vondsten' zijn bij het begin van mijn carrière.

Welke toekomst zie je voor de bibliotheek van het CegeSoma en wat zijn je plannen?

Ze zal de toekomst van het CegeSoma delen in de schoot van het Algemeen Rijksarchief, naar ik hoop in ideale omstandigheden voor het bewaren van de boeken. En als men bij de tijd wil blijven, zal er ongetwijfeld een digitale sector komen die aan belang zal winnen. Als ik de uitgevers moet geloven, zal die 25% tot 30% procent van de titels omvatten, want sommige boeken zijn niet bestemd voor het grote publiek en zullen niet meer op papier verschijnen. Maar dat is iets voor mijn opvolgers. Het CegeSoma moet zich nu aanpassen aan de nieuwe tijden, maar moet altijd oog blijven hebben voor een menselijke aanpak. Dat wil zeggen: naar de mensen luisteren en ze proberen te geven wat ze van ons verwachten. Een openbare dienst moet ten dienste van het publiek staan. Je kunt je als historicus vergissen, maar je mag niemand over  geschiedenis bedotten.

Over een paar maanden ga ik met pensioen en voor mijn intellectueel, moreel en fysiek welzijn zal ik op losse basis blijven meewerken aan het project Belgium WWII. Maar ik zal me moeten kunnen blijven bevoorraden met nieuwe gegevens over de thema's die me zullen worden toevertrouwd en ik weet nog niet hoe dat zal lopen. Ik zal niet als ' vrolijk spook' terugkomen, want mijn tijd is voorbij en mijn familietraditie en de raad van mijn vader leren dat je nooit moet terugkeren naar waar je bent geweest ...